Het Daltononderwijs is tussen 1904 en 1921 ontwikkeld in de Verenigde Staten. De twee kenmerken van het Daltononderwijs zijn vrijheid en samenwerking. Vrijheid kenmerkt zich in het feit dat leerlingen zelf kiezen, met een natuurlijk een uiterste termijn, wanneer ze de taken uitvoeren. Bij samenwerking wordt er ingespeeld op het belang om met elkaar en van elkaar te leren, het sociale aspect. Ook zelfstandigheid is zeer belangrijk bij het leren in eigen tempo. De vrijheid die leerlingen krijgen is verbonden met verantwoordelijkheid die leerlingen daarbij leren te dragen. In 2010 waren er 350 basisscholen die het Daltononderwijs aanboden.

Bij het Daltononderwijs is zeker wel sprake van verplichte lesstof die na instructie zelfstandig individueel of in groepjes uitgevoerd wordt. Bij keuzewerk kunnen leerlingen zelf kiezen uit een aantal aangeboden opdrachten die op dat moment het meest bij de interesse van de leerling past.Een taakbrief geeft weer wat de instructie voor de opdracht is (alleen uitvoeren of in een groepje) en verder of er een instructie bij de iodracht hoort en of de leerling of de leerkracht de opdracht nakijkt. De opdracht op de taakbrief wordt aan het niveau van de leerling aangepast. Indien een leerling eerder moeite heeft gehad met een bepaalde opdracht, dan kan het ook een herhaling van de eerdere opdracht zijn.

Het voeren van gesprekken met leerlingen worden zeer belangrijk gevonden binnen het Dalononderwijs. Zelfreflectie en gesprekken waarbij leerlingen worden geprikkeld om over bepaalde zaken na te denken.

In beginsel kan elk type kind deelnemen aan het Daltononderwijs. Voordat een kind aangemeld wordt, moeten ouders zich wel kunnen verenigen met de kenmerken van het Daltononderwijs: het verlangen van zelfstandigheid van kinderen, behoorlijke verantwoordelijkheid voor kinderen en het belang van samenwerking word gewaardeerd.