vrijeschoolonderwijsEr wordt vaak gedacht dat het ‘vrij’ in vrijeschool staat voor het gebrek aan regels, maar dit is niet juist. Van oorsprong betekent het vrij van overheidsbemoeienis, omdat bij de oprichting van de eerste vrijeschool in Nederland in 1929 deze niet werd gecontroleerd door de overheid. Inmiddels is dit niet mee zo en staan ook vrijescholen onder toezicht van de onderwijsinspectie. In Nederland zijn ongeveer 95 vrijescholen voor het basis- en voortgezetonderwijs. Het vrijeschoolonderwijs is gebaseerd op de antroposofische opvattingen van Rudolf Steiner.

Het uitgangspunt van het vrijeschoolonderwijs is het leren met hoofd, hart en handen. Hierbij staat de persoonlijke ontwikkeling van het kind centraal en worden niet alleen schoolse vakken als lezen, schrijven en rekenen onderwezen. Ook expressieve vakken als handvaardigheid, euritmie, muziek en toneel nemen een belangrijk deel van het onderwijsprogramma in. Het vrijeschoolonderwijs legt hierdoor veel nadruk op eigenschappen die voor de leerling belangrijk zijn om zich (later) blijvend te ontwikkelen.

Volgens de antroposofie kunnen er in de levensloop van mensen verschillende levensfases onderscheiden worden. Iedere levensfase duurt zeven jaar en dit is ook terug te vinden in het vrijeschoolonderwijs. Hierdoor wordt er vastgehouden aan de kleuterklas waarin de kinderen geen ‘denkwerk’ krijgen, maar ‘doenwerk’. Kleuters mogen hier nog echt spelen en hebben een speciaal tot kleuterjuf of -meester opgeleide leerkracht.

Op de vrijeschool zijn geen groepen, maar klassen (1 t/m 6) en krijgen de leerlingen periodeonderwijs. Hierbij krijgen de kinderen vanaf de eerste klas de gelegenheid om zich gedurende een aantal weken de eerste twee uren van de dag bezig te houden met lesstof over één onderwerp. Ook blijft de klas van klas 1/tm 3 en van 4 t/m 6 dezelfde leerkracht houden. Voor de speciale vakken wordt de expertise van een vakleerkracht ingeschakeld.